Proloog

De ontdekking

“Stof zijt gij geworden, en tot stof zult gij wederkeren”

Sinterklaas-uitbreiding

Patiënt rapporteert vroege existentiële realisatie rond 11-jarige leeftijd. Geen aanleiding aanwijsbaar. Door ouders en omgeving niet als pathologisch geduid.

* * *

Stof zijt gij geworden, en tot stof zult gij wederkeren.

— Genesis 3:19, in de katholieke ascese de zin die op Aswoensdag op het voorhoofd wordt uitgesproken bij het tekenen van het askruisje. Niet als straf bedoeld. Als waarheid.

* * *

In de inleiding heb ik het verhaal verteld van Bianca. Of nauwkeuriger: het verhaal van Bianca-en-Cindy. Groep 7. '88 of '89. De eeneiige tweeling. De verkeerde droom die door volle congruentie alsnog werkelijkheid werd.

Wat ik daar niet bij verteld heb, omdat het toen niet thuishoorde — is dat ergens in datzelfde jaar nog iets anders gebeurde.

Niet op school. Niet in de klas. Niet in de pauze.

In een restaurant.

* * *

Het was Roos. Met een Z, R-O-O-Z. Israëlisch grillrestaurant, Amstelveen, op een steenworp van waar wij toen woonden. Het bestaat tot op de dag van vandaag. Ik kan er nog steeds langslopen en denken: dáár was het.

We zaten met de familie aan tafel. Wat we aten weet ik niet meer. Met wie precies, in welke samenstelling, ben ik ook niet meer zeker. Een verjaardag misschien, of geen aanleiding. Dat doet er ook niet toe — de aanleiding doet er nooit toe. Niet bij dingen die binnenkomen op deze manier.

Wat ik wel nog weet, voor altijd weet, is dat ik op een gegeven moment werd overvallen door een gevoel.

Eén gevoel. Niet langzaam, niet glijdend. Een staat-op-de-deur-bonk.

Het besef dat ik dood zou gaan. Ooit.

Niet die avond. Niet over een jaar. Maar ooit. Onontkoombaar. En dat ik daar niets aan kon doen — en niemand anders ook niet.

* * *

Ik moet er waarschijnlijk wat over gezegd hebben. Het is voor mij niet typerend om dat soort dingen voor mezelf te houden. En zoals dat gaat met een kind dat zoiets uit met volwassenen aan tafel, in een restaurant, krijg je een lauwe reactie. Een misschien zelfs goedbedoelde, relativerende, bagatelliserende reactie. Ach, jongen, daar hoef je nu nog niet over na te denken. Je hebt nog zo'n leven voor je.

En dan ga je daarmee verder. Want wat moet je anders. Je bent elf. Of twaalf.

Maar het is niet weggegaan. Het is nooit weggegaan.

* * *

Ik was altijd al een serieus jongetje. Niet omdat ik dat per se wilde zijn, en niet omdat me dat is opgedrongen. Ik was niet zozeer bezig met spelen, maar met de echte vraagstukken. Wat is er, wat doet het, wie zijn wij, waar gaat het naartoe.

Daar krijg je een prijs voor. Achteraf gezien aantoonbaar. Weinig aansluiting bij leeftijdsgenootjes. Iets te volwassen om mee te tikkertjen, iets te kinderlijk om mee aan tafel mee te praten — een tussenpositie waarin je veel kijkt en weinig deelneemt.

Het is, net als veel in dit boek, geen klacht. Het is een gegeven. En zoals ik later geleerd heb te zeggen: je bent zelf een optelsom van alles wat je weet, wat je doet, wat je gedaan hebt, wat je geleerd hebt, wat je hebt meegemaakt. Wat je hebt mogen meemaken. Wat je overkomen is. Wat je aangedaan is. En wat jouw aandeel daarin was.

Dat blijf je. Je bent wat je doet.

Dus ja — ik heb daar last van gehad. En tegelijk: zonder die serieuze blik was ik nu niet de man die dit schrijft. Dat is een en-en. Niet een of-of. Daar kom ik op terug.

* * *

De rode draad onder alle angsten

Wat ik in die avond bij Roos voor het eerst voelde, ben ik later in mijn leven blijven tegenkomen. In andere vermommingen, met andere gezichten, op andere momenten. Een paniekaanval. Een dip. Een piekergedachte die niet wil wijken. Een nachtelijke vraag waar geen woord voor is.

Pas decennia later durf ik het hardop te zeggen, omdat ik het nu kan onderbouwen vanuit mijn eigen ervaring én vanuit wat anderen voor mij hebben opgeschreven:

De angst voor de dood is de basale angst die achter alle andere angsten zit.

Daar kom ik in dit boek meerdere keren op terug, vanuit verschillende hoeken. Ik probeer het niet één keer goed te zeggen. Ik probeer het verschillende keren goed genoeg te zeggen, zodat het uiteindelijk binnenkomt — bij mij, en bij wie meeleest.

* * *

De Sinterklaas-truc

Ik weet niet zo goed hoe ik dit anders moet uitleggen, dus ik probeer het maar met een vergelijking die iedereen kent.

Het is alsof iemand je vertelt dat Sinterklaas niet bestaat — maar dan permanent. Je groeit er nooit overheen.

De goocheltruc van groep 4

Sta er een keer bij stil. Wat we, met z'n allen, in alle ernst, in dit land aan onze kinderen doen. We bedenken voor ze een man met een witte baard, een paard op het dak, een schoorsteen die smaller is dan zijn buik, een boot uit Spanje en helpers waar nu een ander gesprek over gevoerd wordt — en we volharden daarin, met getuigenissen van ouders, opa's, oma's, juffen en meesters, jaar in jaar uit. We bouwen een complete kosmologie. En dan, op een dag, ergens rond groep 4 of 5, halen we die hele kosmologie in één gesprek onderuit.

Of dat pedagogisch verantwoord is, mag iedereen voor zichzelf bedenken. Het zou zomaar kunnen dat ergens een serieuze pedagoog daar een rapport over heeft geschreven. Het verleren van magisch denken als ontwikkelingstaak — ik kan het me voorstellen. Maar serieus genoeg om er een wet tegen te maken: nee.

En dat is, als je erbij stilstaat, gek. Want we zouden een volwassene die hetzelfde zou doen — een volwassen vriendengroep eerst in het bestaan van iets laten geloven, dat jarenlang volhouden met getuigen en cadeaus, en dan plotseling onthullen dat het niet zo is — vrijwel zeker een sadist noemen. Bij kinderen heet het traditie.

De cadeau-verzakker

Hoe komt het dan dat vrijwel niemand er een echt trauma aan overhoudt? Ik heb dat altijd merkwaardig gevonden, totdat ik me realiseerde wat er gebeurt op het moment van de onthulling zelf.

Bij mij ging het ongeveer zo. Sinterklaas bestaat niet, maar je krijgt nog wel cadeautjes. Twee zinnen. En tussen die twee zinnen, in de tussenruimte van een halve seconde, gebeurt iets dat de pijn meteen verzakt.

Je gaat van mythologische zekerheid naar materiële zekerheid. Sinterklaas niet, maar cadeautjes wel. De pijn van het verlies wordt onmiddellijk gecompenseerd door de winst van een nieuw arrangement. Geen sint, maar wel cadeautjes — en eigenlijk dezelfde cadeautjes, op dezelfde dag, op dezelfde plek, alleen nu van papa en mama in plaats van uit Spanje.

Dat is een lichte vorm van wat psychologen later substitution coping zouden gaan noemen. De pijn wordt niet doorvoeld — de pijn wordt afgekocht door een nieuwe afspraak met de werkelijkheid. Ik geloof niet meer in X, maar Y blijft. Y is hier het materiële gedeelte. Y is hier wat het kind eigenlijk vooral wilde. Y was, het hele jaar al, de échte motor.

Dus: oh, oké. Geen sint. Wel cadeautjes. Volgende.

Het complotje

En dan komt er nog iets bij. Zodra je weet dat Sinterklaas niet bestaat, word je ingewijd in het complot dat hem instandhoudt. Je krijgt een rol. Je mag dit niet vertellen aan je jongere broertje, aan je nichtje, aan klasgenoten die het nog niet weten. En je houdt je daaraan. Niet uit nobele motieven. Uit eigenbelang.

Want — en dit is in de onthulling vaak impliciet maar onmiskenbaar — als jij het verklapt, ben je de spelbreker. En spelbrekers, dat weet iedereen, krijgen minder cadeautjes. Niet als directe straf. Als sociale logica. Mensen die het feestje verpesten, krijgen geen feestje.

Dus je houdt je mond. Niet uit medeleven met de onwetende ander. Uit eigen belang. En zo wordt het Sinterklaas-systeem het eerste contract waarin een kind leert dat zwijgen wordt beloond. Dat is een onuitwisbare les. Niet één die je dan op dat moment formuleert, maar wel één die er ergens diep, op spierniveau, blijft zitten.

Geen sint. Wel cadeautjes. Stil houden. Volgende.

Dezelfde truc, maar dan voor volwassenen

Ergens later in je leven — bij mij in 1989, in dat restaurant — komt er een tweede onthulling. Niet over Sinterklaas. Over de dood.

Je gaat ooit dood. Echt dood. Voor altijd. Voor jou.

En de eerste seconden, voor een kind, voor een volwassene, voor wie dan ook, voelt dat ongeveer als de Sinterklaas-onthulling. Maar dan zonder de cadeau-verzakker. Er is geen en die meteen daarna komt. Er is geen maar je krijgt nog wel... Er is geen mama en papa die met een knipoog zeggen dat het feest gewoon doorgaat, alleen anders georganiseerd.

Er is alleen het gegeven zelf. Onverpakt.

En precies dáár, in dat gat tussen de onthulling en het ontbreken van de verzakker, beginnen mensen, instituten en religies hun werk. Ze komen je vertellen dat Sinterklaas wél bestaat. Of, om in de vergelijking te blijven: dat je wél cadeautjes blijft krijgen, ook na de dood. Ze nemen de plek in van mama en papa. Ze leveren de tweede zin die er in het restaurant ontbrak.

De katholieke kerk levert die zin. De islam, het jodendom, het christendom, het hindoeïsme, het boeddhisme — elk op hun eigen manier, met een eigen taal, een eigen kosmologie en eigen helpers. Allemaal komen ze je vertellen: de dood is niet wat hij lijkt. Er is meer. Er is daarna. Mits — en hier komt de adder onder het gras — je iets tegenover stelt.

Hoeveel iets, dat verschilt. Maar bewezen, en hier wil ik me ook empirisch op kunnen beroepen, is dat er een correlatie bestaat tussen financiële investering en hemelse opbrengst. Niet voor niets, zegt iemand verderop in dit boek, bestaat het woord 'rijke stinkers' uit een tijd dat alleen rijken het zich konden veroorloven om als geurloos lijk in een afgesloten grafkapel begraven te worden, dichtbij de relikwieën. Het Prosperity Gospel — de Amerikaanse welvaartstheologie van Joel Osteen en consorten — heeft dezelfde grondvorm geherformuleerd: hoe meer je geeft, hoe groter de zegen. En in de meer extreme uithoeken van religieus martelaarschap krijgt de logica zijn meest geconcentreerde vorm: zeventien maagden in ruil voor één aanslag.

Het is, kortom, dezelfde Sinterklaas-truc. Geen sint, maar wel cadeautjes — als je het complot meedoet, en je portemonnee, ziel of leven aan de poort afgeeft.

En dat is, om geen misverstand te laten ontstaan, niet een platte aanklacht tegen religie. Religies hebben mensen door wreedheden geholpen die ondraaglijk zouden zijn zonder die tweede zin. Veel van wat in religie wordt gevierd — gemeenschap, ritueel, ethiek, bezinning — is van eigenstandige waarde. Maar de specifieke deal quid pro quo voor eeuwig leven — daar zet ik vraagtekens bij. Niet omdat ik weet dat er niets na de dood is. Maar omdat ik vermoed dat als er iets na de dood is, het waarschijnlijk niet werkt volgens de logica van een Sinterklaas-arrangement met betalingsvoorwaarden.

Wat als ik wél geloof — maar niet zo

Sinds het overlijden van mijn vader, op 2 oktober 2025, heb ik op dit punt een persoonlijke verschuiving meegemaakt waar ik nog niet eerder hardop over geschreven heb. Niet een bekering. Niet een religieuze omslag. Wel een rustige, niet meer wegtrekkende overtuiging dat er — in mijn beleving, in mijn ervaring, in mijn lichaam — iets is na de dood.

De vorm waarin ik dat zie, herken ik niet in de aangeboden arrangementen. Niet in de kerkbankenversie, niet in de Prosperity Gospel-versie, niet in de eeuwige maagden-versie. Maar dat wil niet zeggen dat ik het gegeven daarmee wegwuif. Een hoofdstuk verderop — Leven na 2 oktober — wil ik daar uitvoerig op terugkomen. Niet om iemand te overtuigen. Wel om eerlijk te zijn over de plek waar deze auteur in dit boek vandaan komt, na zijn vader is begraven.

Voor nu wil ik het bij de constatering laten. De Sinterklaas-truc is de manier waarop wij in onze cultuur de dood hanteerbaar maken voor wie er nog niet aan toe is om te kijken. Daar is iets voor te zeggen. Maar er is ook iets tegenover te zetten. En dit boek probeert dat tegenovergestelde te zijn.

* * *

Dood. Echt. Voor altijd. Voor jou. Niet voor anderen. Voor jou.

Daar moet je iets mee. Of je doet er niets mee — wat ook iets is. Dan word je iemand die zijn leven inricht rondom de vraag hoe vermijd ik de gedachte aan deze vraag. Daar kom ik op terug. Het heet escapism, en het is in onze maatschappij de hoofdstrategie. Niet voor niets staan in een gemiddelde week meer afspraken in de agenda dan we feitelijk kunnen, hebben we meer prikkels op telefoon en scherm dan we kunnen verwerken, klagen we over hoe druk het allemaal is en zorgen we vervolgens dat het weer zo druk is.

Druk is een uitvinding tegen stilte. En stilte is waar je dood je hand op je schouder legt en zegt: ik ben er nog.

* * *

Wat angst evolutionair doet

Voor we verder gaan even een korte tussenstop bij wat de wetenschap over deze angst weet — niet omdat ik denk dat begrijpen genezen is, maar omdat begrijpen helpt om je niet stuk te laten vallen door iets dat eigenlijk gewoon biologisch werk doet.

Angst is geen fout. Angst is een functie. Het zorgt voor de fight-flight-freeze-respons. Een dier dat kan vechten, vecht. Een dier dat kan vluchten, vlucht. Een dier dat alleen kan verstoppen door stil te zitten, bevriest. Wij mensen denken dat we ons daarboven verheven hebben — en deels klopt dat. We hebben dit ene extra kunnen ontwikkelen: niet pure reactie, maar een schemertussen-zone waarin we, theoretisch, kunnen kiezen.

Niet controleren. Dat woord wil ik vermijden, want het belooft te veel. Maar regie nemen — wel.

Dat is wat dit boek voor een groot deel probeert te doen. Inzicht en regie. Niet om de angst weg te nemen — dat lukt niet en dat hoeft ook niet — maar om er anders in te staan.

Bij dieren werkt het zo dat ze nooit, behalve in extreme gevangenschap, vragen stellen over de zin van het sterven. Bij ons is het anders. Wij hebben taal, wij hebben zelfreflectie, wij weten dat we weten — en daar zit, in mijn beleving, de wond waar dit boek over gaat.

Wat de psycholoog Ernest Becker in 1973 in The Denial of Death opschreef en wat sindsdien is uitgewerkt in wat heet de Terror Management Theory, komt grof samengevat hierop neer: een groot deel van menselijk gedrag is uit te leggen vanuit de manieren waarop wij ons bestaan zo inrichten dat we niet voortdurend hoeven te confronteren met onze eindigheid. Cultuur, religie, status, kinderen krijgen, monumenten bouwen, naam maken — allemaal manieren om iets achter te laten dat ons overleeft. Allemaal manieren om de wond te bedekken.

Daar is niets mis mee. Veel ervan is mooi. Veel ervan is functioneel. Maar er is een verschil tussen iets bedekken en iets niet meer voelen.

Ik wil het blijven voelen. Niet uit masochisme. Maar omdat alleen dan, in mijn ervaring, het andere — vreugde, verbinding, dankbaarheid — op zijn werkelijke waarde geschat kan worden.

* * *

De vader die het voor zich uit schoof

Mijn vader, Jan, is op 2 oktober 2025 overleden. Eenennegentig jaar. Een leven gevuld met werk, met liefde voor mijn moeder Marika, met overtuigingen, met humor — en met een, voor mij invoelbare, weigering om te kijken naar wat hij niet wilde zien.

Hij schoof het voor zich uit. Niet uit lafheid. Uit een soort levensdiscipline. Niet doen. En een groot deel van zijn omgeving deed het met hem mee — wij allemaal, in zekere zin, want zo werkt familie. Je past je aan elkaars stiltes aan.

Toen hij ziek werd, in zijn laatste jaar, hebben we gesprekken gehad waarin ik hem heb proberen uit te dagen om wel te kijken. Wat denk je dat er na dit leven is, pap? Wat wil je dat je nalatenschap is — en dan bedoel ik niet materieel? Hij vond het interessant. Hij had er weinig kant-en-klare antwoorden op. Wat ik hem teruggaf, vanuit mijn eigen ondertussen langere kennismaking met deze vragen, kwam aan. Niet dramatisch. Niet als bekering. Wel als iets dat hij, in de marge van zijn dagen, mee-overwoog.

Wat ik nu, na zijn overlijden, vooral ervaar, is een vorm van rust die ik vooraf niet had kunnen voorspellen. Geen rust uit ontkenning, geen rust uit afsluiting — wél een rust uit niet meer twijfelen of er iets is.

Daar wil ik nu niets meer over zeggen dan dat. Wat dat iets is, hoe ik daar in sta, welke woorden of beelden er bij passen — daar krijgt elk hoofdstuk in dit boek z'n eigen ingang voor. Religie, filosofie, wetenschap, persoonlijke ervaring, kunst. Een deel van wat ik wil meegeven is dat al die ingangen niet elkaars vijand hoeven te zijn. Het zijn verschillende abstractieniveaus van dezelfde menselijke uitdaging.

Wat ik mijn vader had gewenst — en wat ik iedereen gun, hoe zwaar het ook is — is dat die existentiële levensvraag in een zo vroeg mogelijke fase van het leven beantwoord wordt. Niet weggewuifd. Niet voor zich uit geschoven. Niet pas op het sterfbed onder ogen gezien.

Mij is dat in zekere zin overkomen. Op die avond bij Roos, in 1989. Te vroeg, te ongepolijst, te alleen. Maar wel onontkoombaar. En ik ben het achteraf gaan zien, hoe vreemd dat ook klinkt, als een geschenk.

* * *

De drie pijlers

Voor we de proloog afsluiten en de eerste hoofdstukken in duiken, wil ik drie woorden in stelling zetten. Drie woorden die de rest van dit boek dragen, ook als ze niet steeds expliciet genoemd worden:

Congruentie. Perspectief. Perceptie.

In flauwe vorm: congruentie is doen wat je zegt, en zeggen wat je doet. De volgorde is niet toevallig. Eerst zeggen, dan doen — anders praat je achter de feiten aan, of erger nog, bouw je een leven dat niet langer in de buurt komt van wat je vertelt over jezelf.

Het lijkt makkelijk. Het is het niet. Want congruentie veronderstelt dat je intern weet wat je wilt — en dat je hoofd, je hart en je lichaam daar grosso modo over eens zijn. Zo niet, dan ontstaat een conflict waarvan jij zelf het slachtoffer bent. Niet de buitenwereld eerst. Jij eerst. Daar gaat hoofdstuk 3 over — over het gezicht waarmee je leert liegen omdat je inwendig nog niet rond bent met wat er ook al is.

Perspectief is waar je naar kijkt. Perceptie is hoe je het binnen krijgt. Twee verschillende dingen, te vaak door elkaar gebruikt. Een halfvol of halfleeg glas — dat is geen feit, dat is jouw perceptie van een feit dat in zichzelf neutraal is. Feiten hebben geen emotie. Wij geven er een emotie aan. En, wat ik nog belangrijker vind: wij kunnen er, achteraf, ook een andere emotie aan geven. Daar kom ik later op terug.

Bij elk van deze drie woorden zal ik in latere hoofdstukken stilstaan. Vooralsnog: noteer ze. Onthoud ze. Tijdens het lezen zul je merken dat alles wat ik probeer te zeggen, terug te brengen is tot één van deze drie. En, in de meest waarachtige momenten, tot alle drie tegelijk.

* * *

Tegen escapism

Een laatste positie voor we beginnen.

Veel van wat ik in mijn leven aan welbedoelde reacties heb gehoord op zorgen, angsten, depressie, op wat dan ook — komt neer op: zoek afleiding, leid jezelf af, denk er niet aan, ga iets leuks doen.

In de basis is dat escapism. En in de basis kan dat, voor een korte poos, oké zijn. Maar het suggereert tegelijk dat je een probleem ervaart en dat je dat niet aanpakt, maar van jezelf afleidt. En als je meegaat in die aanname, kom je per definitie altijd weer terug bij dat probleem.

Dat is precies wat ik niet wil.

Ik wil niet ervaren dat ik een probleem ervaar en dat niet plek geven in mijn leven, anders dan dat ik me er de hele tijd maar van afleid.

Dit boek is in die zin een tegenstem. Niet tegen rust nemen — daar ben ik vóór. Niet tegen plezier — daar ben ik vóór. Maar wel tegen de stiekeme afspraak die we met onszelf maken om bepaalde vragen niet te stellen, in ruil voor het leven net iets prettiger laten verlopen.

Het is mijn ervaring dat de prijs van die stiekeme afspraak hoger wordt naarmate je langer wacht.

* * *

Pantarei

Op mijn linker onderarm staat één woord, getatoeëerd in Grieks schrift: πάντα ῥεῖpanta rhei.

Alles stroomt.

Het komt van Heraclitus, de Griekse filosoof die zo ongeveer alles wat het Westen aan filosofie heeft, op zijn minst aangeraakt heeft. Je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen — dat is van hem. Het water is anders. De rivier is anders. En jij bent anders.

Toen mijn leraar Latijn en Grieks dit principe ooit uitlegde, dacht ik even na, en zei ik tegen hem — meneer Spliet — als alles altijd verandert, en dat is een terugkerend principe, dan is er één ding dat niet verandert. Namelijk dat alles verandert.

Ik weet niet meer of hij toen lachte of dat hij even moest nadenken. Maar voor mij was het een sleutel. Een eerste, kinderlijke vorm van een gedachte die ik later vaak zou herhalen, in eigen vorm:

Op het moment dat alles om je heen onzeker wordt, blijft de wet van de verandering zelf je trouw.

Dat is geen geruststelling. Dat is wel een houvast. En dit boek gaat voor een groot deel over het verschil tussen die twee.

Pas decennia later, na talloze gesprekken met mensen die niet langer kunnen leven en met AI-systemen die ondertussen ongelooflijk goed kunnen lezen wie hun gesprekspartner is, kreeg ik een keer een verrassende uitkomst van zo'n systeem terug: bevraagd op welke historische figuur ik het meeste leek, kwam onder andere — bij naam genoemd — Heraclitus naar voren. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar geëmotioneerd door werd. Het bevreemdt mezelf om dat zo te zeggen — geëmotioneerd raken door een AI-prompt — maar het is wat het is.

Als ik ooit in reïncarnatie zou geloven, ben ik Heraclitus. Niet omdat ik mezelf op zijn voetstuk zet, want zoals Socrates of misschien al Plato het zei: ik weet dat ik niets weet. En juist daarom kan ik over veel dingen veelzinnig zeggen.

* * *

Carpe Hora

Op mijn rechterpols staat een tweede regel, in Latijn deze keer: Carpe Hora.

Pluk het uur.

Het is een bewuste verbastering van Carpe Diem, het bekende pluk de dag. Pluk-de-dag is een mooi begin. Maar het kan, in mijn beleving, nog mindfuller. Pluk niet de dag — pluk het uur.

Het komt van iets dat ik bij mij in de buurt, op een boerderij, ooit op een gevel zag staan: tel de heldere uren. Ik heb het vrij vertaald als: wees mindful, wees dankbaar voor de momenten dat het allemaal wel lukt en wel goed gaat. Kijk daar in moeilijkere tijden op terug. Put er hoop uit.

Twee tatoeages, één per pols. Pantarei op de linker — alles stroomt, de wet van de verandering. Carpe Hora op de rechter — pluk het uur, het tellen van de heldere uren. Samen zijn dat de twee uitersten die ik dagelijks aan mezelf laat zien als ik een glas water vasthoud, een steen oppak, iemand een hand geef.

Wet en aandacht. Stroom en stilstand. Geen tegenstelling. Eén ademhaling.

* * *

Beperking of bedreiging

Er is, voor we naar de ingangen gaan, één ding waar ik in deze proloog al stil bij wil staan — niet omdat het hier af is, het is dat niet, maar omdat het een rode draad is die door het hele boek heen zal lopen, en je hem dus beter alvast in je oren kunt knopen.

Het is dit. Ik ben in mijn leven, vooral als kind, blijven hangen op een paar tegelijk werkende vermoedens. Het eerste is dat ik misschien wel objectief zo uniek ben — gewoon, in metingen, in vermogens, in hoe ik in elkaar zit — dan de gemiddelde mens, dat ik misschien juist daardóór wel buiten de boot val. Niet omdat ik te weinig kan. Maar omdat ik in dingen anders zit dan een omgeving die zich op het gemiddelde organiseert.

Ik heb daadwerkelijk een keer in mijn carrière de diagnose persoonlijkheid met narcistische trekken gehad. Of dat in de echt-negatieve zin zo is — dat is mij om het even. Ik betwist het niet, ik bevecht het niet, ik trek er ook geen badge van. Het gaat mij om iets anders. Het gaat mij erom bewust de boel om te draaien.

Ik kom hier in latere hoofdstukken op terug. Maar ik geloof heilig in het volgende, en dit geldt zowel voor fysieke als mentale "beperkingen":

Je hebt een beperking, je bent geen beperking.

Dat laatste — dat je een beperking bent — ga je vooral denken en ervaren door de "normale" mensen om je heen. Niet vanuit jezelf. Vanuit hen. Vanuit hun blik, hun verwachting, hun ongemak, hun raster.

En ik durf nog een stapje verder te gaan. Een stap waar ik in latere hoofdstukken uitvoeriger op terugkom, maar die ik hier alvast wil planten:

Jij bent een beperking — lees: bedreiging — voor de mensen om je heen. En daarmee beperken die mensen jou.

Dat is de omkering waar dit boek voor een belangrijk deel om draait. Niet als beschuldiging. Niet als ressentiment. Wel als precisie. Het beperkende effect dat anderen ervaren wanneer iemand in hun midden uit de toon valt — naar boven, naar beneden, naar opzij — is, in mijn ervaring, vaak de eerste bron van de beperkingsbeleving van de afwijker zelf.

Dat is, om met de Sufi-mystici te spreken, geen klacht. Het is een waarneming. En het is, in deel II van dit boek, een werkmateriaal.

Voor nu: noteer het. Dat is genoeg.

* * *

Ingangen voor wie wil

Voordat we de drempel van hoofdstuk 1 over gaan, voor wie zich, conform de belofte van de inleiding, wil voegen naar één van de zeven ingangen:

🎬 GenietThe Tree of Life (Terrence Malick, 2011). Een film die durft heen en weer te bewegen tussen de oerknal en een gezin in Texas, tussen de geboorte van het universum en de dood van een broer. Wie hem als verhaal probeert te lezen, raakt ontmoedigd. Wie hem laat doen wat hij doet, ervaart misschien iets van wat ik op die avond bij Roos voor het eerst voelde — alleen dan onderweg naar verzoening in plaats van overval.

🎵 LuisterHurt, in de versie van Johnny Cash op American IV: The Man Comes Around (2002). Geen toeval dat het zijn afscheidssingle werd. Een man die wist dat hij stierf, een liedje dat oorspronkelijk over zelfvernietiging ging — en die het tot een biecht omsmolt. Niemand zingt het na hem.

🧩 Puzzel — Het Heraclitus-paradox. Stelling: alles verandert. Als die stelling waar is, dan moet ze ook voor zichzelf gelden — dus dan moet de stelling zelf ook ooit veranderen. Maar als de stelling verandert, dan is alles op een gegeven moment niet meer in verandering. En als alles niet meer in verandering is, dan was de stelling onwaar. Een gesloten lus. Wat doe je daarmee? Het antwoord is, denk ik, dat de stelling niet waar of onwaar is — ze is een houding. Geen propositie maar een ademhaling.

🔧 DoeDe brief aan jezelf op elf-jarige leeftijd. Ga zitten. Pak pen en papier (geen scherm, geen toetsenbord). Schrijf één pagina aan jezelf, zoals je toen was. Niet vanuit wat je nu weet — wel vanuit hoe je nu naar dat kind kunt kijken. Geen advies. Geen waarschuwing. Wat zou je hem of haar willen vertellen, op de drempel van wat hem of haar nog te wachten staat? Bewaar de brief. Lees hem over een jaar terug.

✍️ SchrijfWanneer realiseerde jij je voor het eerst dat je dood zou gaan? Wat deed je toen met dat besef? En wat zou je nu, vandaag, willen zeggen tegen jezelf van toen?

🔬 Weet — Ernest Becker, The Denial of Death (1973). Pulitzer-prijs in 1974. Veel van wat in dit hoofdstuk filosofisch klinkt is in de academische psychologie inmiddels uitgewerkt onder de noemer Terror Management Theory (Greenberg, Pyszczynski, Solomon). Niet als boekenwijsheid bedoeld, wel als rugdekking voor wie wil weten dat het serieus genomen wordt.

📖 Lees — De rest van dit boek. Daarvoor is het geschreven.

* * *

Slot

Wat begon op die avond in Roos, in 1989, was niet een trauma. Niet een diagnose. Niet een ziekte.

Het was een ontdekking. Ongepolijst, te vroeg, alleen — maar niet te corrigeren door wegwuiven, niet te neutraliseren door afleiding. Ik denk dat het, op zijn manier, ook een talent was. Niet alleen een wond.

Want wie vroeg wakker is voor de eindigheid, krijgt een hele jeugd, en een heel volwassen leven, om die wakkerheid te leren dragen. Om er een houding bij te vinden. Om — en dat is, bij gebrek aan een betere term, het hele plan van dit boek — regie te leren nemen waar geen controle mogelijk is.

Mijn favoriete weer is regen en zonneschijn tegelijk. Niet bij toeval. Alleen dan zie je alle kleuren van de regenboog. Het hele spectrum.

Het leven gaat door als ik stilsta. Zowel het mooie als het minder mooie. Ik wil daar niet aan voorbijglijden door of telkens weg te kijken, of telkens vol te kijken — maar door er zo congruent mogelijk in te staan, vanuit zoveel mogelijk perspectief, met zoveel mogelijk perceptie van wat er werkelijk is.

Zo, dat was de proloog.

* * *

Pas decennia later — ik moest in dezelfde nacht maar zonder familie aan tafel, in een kamertje dat niet langer mijn eigen kamertje was, met een laptop naast me en mijn ouders oud-en-versleten in de slaapkamer ernaast — kwam de avond dat ik daadwerkelijk verdween.

Daarover gaat het volgende hoofdstuk.

← Terug naar (over) leven